Boeken

Een categorie apart

“Van wie, zeg je?” De pedicure laat haar tangetje boven mijn kleine teen zweven en kijkt me vragend aan.

“Mance Post,” herhaal ik.

“O, Manke Post! Natuurlijk ken ik die! Geweldig vond ik die tekeningen en de boeken van de Guus Kuijer, waar ze in stonden uiteraard. Maar ik vond het altijd zo’n rare naam.” We lachen er hartelijk om.

Ik ben het intussen wel gewend. Niemand weet onmiddellijk over wie ik het heb als ik vertel dat ik bezig ben met een boek over het leven van Mance Post (1925-2013). Maar vertel ik erbij dat ze de boeken van Guus Kuijer heeft geïllustreerd, dan klaren de gezichten snel op. Tenminste, als onze leeftijden niet te veel uiteenlopen. Wie genoot er in de jaren zeventig tenslotte níet van de boeken over Madelief? Op je kop in de prullenbak, Grote mensen daar kan je beter soep van koken, Krassen in het tafelblad, hele generaties jonge lezers hebben ze verslonden. En ja, ook de illustraties van Mance Post blijkt iedereen zich te herinneren.

Zelf had ik destijds ook moeite met die naam. Aangezien ik álle letters verslond, of ze nou op gevels, melkpakken of in boeken stonden, spelde ik ook de omslagen van die boeken. ‘Met tekeningen van Mance Post’ stond er. Hoe je het uitsprak, of het een man of een vrouw was, ik wist het nooit helemaal zeker. Maar ach, wat deed het ertoe. Dankzij deze persoon wist ik tenminste hoe Madelief eruitzag.

Nu weet ik dat Mance voluit Hermance heette, naar haar vader Herman. En dat ze, voordat ze halverwege de jaren vijftig besloot om illustrator te worden, acht jaar lang klassenleidster was geweest op het Amsterdamse Montessori Lyceum (waar ze zelf mms had gedaan). Uiteraard werden alle docenten met mevrouw of meneer aangesproken. Maar Mance niet, vertelde ze in een interview met collega-oudleerlingen Felix Rottenberg en Josje Calff.

Ze zei: ‘Ik werd bij mijn voornaam genoemd. Dat kon wel, want dat was eigenlijk geen naam. Dat was meer zoiets als Akela. Als ik Truus had geheten was dat niet gebeurd, maar Mance kon wel.’

Hoe meer ik over haar te weten kom, hoe meer ik denk dat ze gelijk had. Mance was een categorie apart. Mance was Mance.

Maar Manke, die was ik tot nu toe nog niet tegengekomen. Ze had er vast om kunnen lachen.

 

Advertenties

Zusje, hoe zit dat?

8 november 2017

Na alles wat ik sinds het verschijnen van Uw wil geschiede, kinderen op katholieke kostscholen heb verteld – op radio en televisie, in kranten en aan iedereen die het maar horen wilde – val ik soms toch weer even stil.

Laatst nog, toen de bezorger me per aangetekende post twee kleine zelfgemaakte boekjes overhandigde. Het ene bestond uit fijne, met aquarelverf gekleurde pentekeningen; het andere uit korte verhalen in de vorm van brieven van een meisje aan haar jongere zusje op kostschool. Ook dat boekje was prachtig geïllustreerd met fantasierijke zwart-witte pentekeningen, afgewisseld door korte gedichten.

[Tekst gaat verder onder afbeelding]

Ik wist dat de maakster van de boekjes, Margie van de Pol, in werkelijkheid het zusje op kostschool was. Zelfs na al die jaren was ze niet in staat dat meisje een stem te geven. De enige manier waarop ze haar kon benaderen was via het oudste zusje, dat in haar brieven schrijft hoe ze naar haar verlangt. Ze zit vol vragen: ‘Draag je rokken, een plooirok en een blazer?’ Maar ook: ‘Heb jij nog vertrouwen in God? Bid jij tot God en wat bid jij dan? Wil jij nog wel naar pa en ma terug? Als zij mij weggestuurd hadden, zou ik nooit meer terugkomen. Zusje, hoe zit dat?’

Het speelde zich af in de jaren zestig in een Nederlands-Indisch gezin waarin zowel de vader als de moeder gebukt gingen onder trauma, verteerd door verlangen naar een land dat niet meer bestond. Niet in staat te zorgen voor het jongste zusje, stuurden ze haar, nog voor ze kon kruipen, naar de nonnen. Soms mocht ze een poosje naar huis komen, maar steeds weer kwam er een moment dat ze weg moest. ‘Weet je waarom jij weg moest?’ schrijft haar zus in een van de brieven. ‘Jij bent gewoon te bruin. Ik bedoel, jij doet hem denken aan vroeger.’

Het was een hartverscheurend verhaal. Aanraken en aangeraakt worden, de intimiteit van een gezin – het zou voor Margie nooit vanzelfsprekend zijn. Als moeder was ze er ook voor haar eigen kinderen soms niet genoeg geweest, wist ze. ‘Gezien worden en niet zenuwachtig worden, was echt een probleem,’ schreef ze me in een e-mail. ‘Ogen van anderen leken op gevaarlijke insecten.’ Schrijven en tekenen waren haar redding. ‘Het lege blad en niemand die kijkt. Ik verstopte mijn verhalen en tekeningen, maar de laatste jaren laat ik soms wat zien aan anderen.’

Margie schreef me ook hoe blij ze was met Uw wil geschiede. ‘Weet je, ik zocht mij suf in bibliotheken! Het leek wel alsof er in Nederland niets gebeurd was.’ Het lezen van mijn boek had veel in beweging gezet. Met terugwerkende kracht kon ze nu wél huilen. ‘Ik hoef het niet meer tegen te houden. Voel mij gesteund en sterk genoeg en tot mijn verbazing ben ik behalve erg verstild ook zeer levendig.’

Voor deze vrouw kan ik niet anders dan een diepe buiging maken.

Verontwaardiging

Helemaal als een verrassing komt het niet, maar mijn boek Uw wil geschiede, kinderen op katholieke kostscholen maakt nogal wat los sinds het vorige week verscheen.

Sommigen klommen direct in de pen, zoals de dame die na mijn interview bij VPRO Boeken op hoge poten een e-mail schreef. Ze had zelf in de jaren zestig op ‘een gerenommeerde kostschool in Nijmegen’ gezeten en haar eigen ervaring week toch heus af van wat ze uit het televisie-interview had begrepen: dat het er kommer en kwel was.

Ik antwoordde dat ik het fijn voor haar vond dat ze zulke prettige herinneringen had aan haar gerenommeerde kostschool, maar dat het jammer was dat ze het boek niet had gelezen. Dan had ze gezien dat er ook positieve verhalen in staan. En, nog belangrijker: wat nu eigenlijk máákt dat iemand in dankbaarheid terugkijkt, er nog steeds koude rillingen van krijgt of ergens in het grijze gebied daartussen zit.

Maar ik kreeg ook andere reacties. Een uur na mijn interview in de Nieuwsshow op Radio 1 belde er een oude dame op. Ze was 86 en had vanaf haar zesde jaar tien jaar op kostschool gezeten. ‘Een uiterst twijfelachtig genoegen,’ noemde ze het, al waren er ook grappige herinneringen. ‘Maar ze hebben me er niet onder gekregen!’ Per post stuurde ze me een van de verhalen op die ze erover had geschreven. ‘Biechten’ heette het. Met haar toestemming citeer ik een stukje over de voorbereiding op haar Eerste Heilige Communie:

‘Een zéér oude non (zuster) met totaal verrimpeld gelaat leerde mij en ook een iets ouder meisje hóe en wát wij moesten biechten. Haar met beverige stem gesproken woorden en een leerboekje met afschrikwekkende felgekleurde plaatjes van brandende kinderen en grote mensen in de hel omringd door zwarte grimmige gehoornde duivels met lange zwarte drietandige prikstokken zadelden mij op met een mateloze angst en met een schuldgevoel dat soms nóg in mijn binnenste schuilt.’

Het gaat er niet om wie er gelijk heeft, herinneringen zijn tenslotte subjectief. Niemand kan zeggen ‘zo was het’, alleen: ‘zo was het voor míj’. Waar het me om gaat is de verontwaardiging van dame 1. Alsof ik erop uit was iets van haar af te pakken.

Het deed me denken aan de manier waarop de ordes en congregaties vaak hebben gereageerd op religieuzen die (vaak nadat ze waren uitgetreden) vertelden hoe ze hadden geleden onder het ouderwetse kloosterregime en de ‘neurotiserende werking’ daarvan. Ook die verhalen waren door de congregaties dikwijls afgedaan als leugenachtig, overdreven, of onbetrouwbaar omdat de kloosterling in kwestie nu eenmaal ‘altijd al lastig’ was geweest. En het werd tijd dat de congregaties (die beslist veel goeds hebben gedaan) eindelijk eens de donkere kant van het kloosterverleden onder ogen zagen, vonden bijvoorbeeld de auteurs van Ex caritate, een vuistdik boek over de vele zustercongregaties in Nederland.

Of, zoals iemand die zijn kostschooltijd zelf relatief goed had doorstaan me na lezing van Uw wil geschiede schreef: ‘Graag wil ik mijn grote waardering uitspreken en ik hoop dat er nog veel aandacht zal volgen in de media. Dit soort zaken moet besproken worden en vooral besproken blijven, er is zoveel stuk gemaakt in zoveel levens, we mogen nooit wegkijken.’

Ik hoop dat ook andere oud-leerlingen dat durven.

Terug naar Lena

 

In mijn toch wat rusteloze afwachting van 21 september 2017 (de dag dat mijn boek Uw wil geschiede verschijnt) reisde ik af naar Maastricht. Ik ging er nog eens op bezoek bij Lena, de oudste van de twintig vrouwen en mannen die in het boek vertellen over de tijd dat ze op een katholieke kostschool zaten – zo tussen 1945 en 1970.

Lena stond al op de uitkijk. Ze was intussen 88 (‘Een bizarre leeftijd, vind je niet?’) en zou helaas niet naar de boekpresentatie komen, op 22 september in boekhandel Atheneum in Amsterdam. Reizen kon ze niet meer en ze hoefde ook niet meer zo nodig, vertelde ze. Haar wereld beperkte zich tot de actieradius van haar rollator.

In mijn tas zat dan wel niet het echte boek, maar wel een dummy die voor het VPRO-televisieprogramma Boeken was gemaakt. Ik was daar geïnterviewd voor de uitzending van 24 september. Lena keek verrast toen ik het boek tevoorschijn haalde. Ze streelde het omslag, bekeek aandachtig de achterflap, maar aarzelde om het open te slaan. Ze wist dat het verhaal met háár begon.

‘Zal ik een stukje voorlezen?’ stelde ik voor nadat we hadden bijgepraat en thee gedronken. Dat vond ze goed. Al lezend keerden we terug naar die februaridag in 1945. Limburg was al wel bevrijd, maar de rest van Nederland nog niet. Die dag was Lena – tot haar verbijstering in feite – door een Engelse militair per jeep naar Maastricht gebracht, naar internaat Immaculata van de Zusters van het Arme Kind Jezus.

Toen ik klaar was, bleef het even stil. Wat ik had geschreven klopte precies, zei ze toen. Ze vond de taal mooi, zorgvuldig. ‘Maar hoe is het voor jou om dit zo te horen?’ vroeg ik. ‘Ik voel afweer van binnen,’ antwoordde ze. Ik had het kunnen weten. Lena is een van de velen die op kostschool getraumatiseerd is geraakt en die ervaring nooit helemaal heeft kunnen verwerken.

Lena is niet geslagen door de zusters, ze is niet opgesloten in een kelder, zoals sommige anderen, en ook niet seksueel misbruikt. De vernedering voltrok zich terloops, zou je kunnen zeggen, sluipenderwijs. Het zat hem in details, in de verfijning van een systeem dat het individu permanent in de gaten hield, waar straf altijd op de loer lag en Lena gedwongen was om alles op te geven wat eigen was.

Na het interview hadden we contact gehouden. Ik was op Lena gesteld geraakt. Trots op het eindresultaat was ik naar Maastricht afgereisd, en natuurlijk hoopte ik dat zij dat óók zou zijn. In plaats daarvan rakelde ik oude pijn op. Ik voelde me een beetje beschaamd.

Lena schakelde snel terug naar het heden. Ze vond het fantastisch dat ik op televisie kwam, en ook nog op de radio! Het was duidelijk: Lena’s wereld was dan wel gekrompen, maar meer dan ooit voedde ze zich met de belevenissen van anderen, die ze alle geluk van de wereld gunde.

uw-wil-geschiede_truska-bastWe namen afscheid en we hoewel we afspraken om contact te houden, vroeg ik me af of zij daar eigenlijk wel bij gebaat was. Herinnerde ik haar niet veel te veel aan die ellendige tijd? Een dag later kreeg ik een e-mail van haar. Mijn bezoek had haar goed gedaan, schreef ze. ‘Al jouw aandacht en vragen zetten mij aan het werk.’ En o ja, contact hield ze graag!

Als iemand het bewijs is van de menselijke veerkracht, is het Lena. Ik hoop dat het me lukt om een voorbeeld aan haar te nemen.

Uw wil geschiede, kinderen op katholieke kostscholen verschijnt bij uitgeverij Querido en is vanaf 21 september 2017 te koop voor €19,99

 

 

Denken over eten – van 1941 tot nu

Op 27 maart 2014 verschijnt het boekje Van schaarste naar overvloed dat ik schreef in opdracht van het Voedingscentrum. Een geweldige opdracht omdat de geschiedenis van ons denken over eten – sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog tot nu – verrassend veel vertelt over de geschiedenis van Nederland.Van Schaarste naar Overvloed_render

Met mijn neus in al die folders en brochures (van recepten voor tulpenbollen en erwtenmeel tot goedbedoelde adviezen aan tienermeisjes die in de jaren zestig massaal ‘aan de lijn’ gingen) was het alsof ik in een aflevering van Andere Tijden was beland. En zo heb ik ook geprobeerd het op papier te zetten.

Aan de hand van al dat beeldmateriaal zie je, ook in de voedingsadviezen, de tijd kleuren. Van ronduit betuttelend worden de adviezen in de jaren zeventig en tachtig geleidelijk aan minder dwingend. In de jaren negentig lijkt dat een beetje door te schieten – de eigen verantwoordelijkheid gaat voor alles – en na de millenniumwisseling kiest het Voedingscentrum duidelijk positie.

Interessant is ook hoe de burger op die voedingsadviezen reageert. De argwaan wordt groter, de boodschap (eet minder vet, minder zout, meer vezels en vooral gevarieerd) lijkt steeds ongewenster. Anderzijds neemt de ontvankelijkheid toe voor ongefundeerde en soms ronduit onzinnige opvattingen die vooral op internet te vinden zijn. Kortom, de ‘goede raad die niet duur is’ – zoals de voorlichters het zelf in de jaren vijftig formuleerden – staat aan alle kanten onder druk.

Vierde druk ‘En zij die na ons komen’

Kleine kroniek van drie Nederlandse families

Voor boerenzoon Ko is het een ware volksverhuizing als hij in 1919 met koeien en hooi per stoomtrein van Zuid-Holland naar de Veluwe trekt. Het gezin kent diepe armoede. Hoe anders is dat op het eiland Wieringen, waar Pieter, het zoontje van een opzichter van Rijkswaterstaat, rond 1920 verblijft met de Duitse kroonprins Wilhelm, die naar het eiland is verbannen. Of op Java, waar de Indisch-Nederlandse vader van Sien achttien kinderen verwekt bij twee inlandse vrouwen en Sien met haar zusjes wordt ondergebracht in het Protestantse Weeshuis.

Een eeuw Nederland in de beste verhalende traditie van Judith Koelemeijer, Suzanna Jansen en Annejet van der Zijl

In En zij die na ons komen lezen we hoe het er anno 2010 voor staat met Ko, Pieter en Sien – en wat er van hun kinderen, kleinkinderen én achterkleinkinderen is geworden. Aan de hand van deze drie families beschrijft Truska Bast hoe een leven in Nederland in honderd jaar is veranderd. Dat levert een meeslepend en kleurrijk tijdsdocument op, in de traditie van Judith Koelemeijer, Suzanna Jansen en Annejet van der Zijl.

Fragment uit boek:
Het noorden van Nederland stond nog een lange hongerwinter te wachten. De ijskoude nacht van 9 op 10 januari werd voor altijd in Ko’s geheugen gegrift. De gezondheid van ome Ko was ernstig verslechterd en Ko was erbij toen zijn geliefde oom stierf, om drie uur ’s nachts. Amper twee uur later reed Ko met Saar achter op de tandem over de hobbelige zandwegen naar het noodziekenhuis in Ede. De weeën waren begonnen.
Het ziekenhuis werd met kaarsen verlicht. Brandstof was niet meer te krijgen, de kamers waren steenkoud. Met het ijs op de deken bracht Saar de baby ter wereld.
In het ziekenhuis was vrijwel niets meer te eten. Overal in het land nam de honger rampzalige vormen aan. Steeds meer mensen werden naar het platteland gedreven. Stakkers waren het, soms hadden ze nauwelijks fatsoenlijk schoeisel aan hun voeten. Ook bij Ko en Saar kwamen ze aan de deur. ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt,’ zei Jo op een dag toen Ko thuiskwam en drie vreemde kinderen in de kamer aantrof. ‘Maar ik heb ze brood gegeven en ze eten vanavond mee.’