Een paar weken na de vertrouwelijke tip betrad ik de studiezaal van het Nationaal Archief in Den Haag. Op de grote leestafel stalde ik de dossiers uit met de namen van Mance en enkele van haar familieleden, afkomstig uit het CABR: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, ook wel bekend als de collaboratiedossiers. Ik voelde mijn hartslag licht stijgen. Dat er dossiers met hun namen bleken te zijn, bewees alleen dat er na de Tweede Wereldoorlog onderzoek naar hen was verricht vanwege vermeend ‘onvaderlandslievend’ gedrag. Wat dat onderzoek had opgeleverd, daar zou ik nu eindelijk achter komen.
Het dossier van Mance zelf was dun. De inhoud bevestigde wat mijn tipgever me aan de telefoon had verteld en me toen volkomen van mijn stuk bracht: Mance was op haar vijftiende inderdaad – korte tijd – lid geweest van de Nationale Jeugdstorm (NJS), de jeugdbeweging van de NSB; de lidmaatschapskaart die ik in handen hield, was het bewijs. Er stond op dat Mance Post op 9 november 1940 ‘voorlopig lid’ was geworden en wekelijks tien cent contributie betaalde.
Het stond nog steeds volkomen haaks op het beeld dat ik van Mance Post had gekregen tijdens het onderzoek voor mijn biografie: een wijze, ruimhartige vrouw die zich haar leven lang fel had uitgesproken tegen iedere vorm van onrecht. Tijdens de oorlog had ze geholpen Joodse onderduikers te verzorgen, verzetswerk waar ze altijd bescheiden over was – terwijl ze op haar zeventiende nota bene werd opgepakt door de Gestapo en een paar weken in de cel zat.
Toen ze in november 1947 door de Politieke Recherche Afdeling Haarlem aan de tand werd gevoeld over haar lidmaatschap van de Jeugdstorm vertelde ze dat het vier à vijf weken had geduurd. Tegen de zin van haar moeder had ze zich aangemeld, voegde ze eraan toe, en op haar aandringen had Mance het ook weer beëindigd. In 1943 was ze voor de illegaliteit gaan werken en verzorgde ze onderduikers in Amsterdam, verklaarde ze aan de rechercheur.
De zaak werd geseponeerd. Het lijkt niet meer dan logisch. Los van het feit dat Mance zich vanaf (eind) 1943 juist een dappere Nederlander had getoond: een vijftien-jarige kan de gevolgen van zo’n lidmaatschap niet overzien. Ze kan die beslissing bovendien niet zelfstandig hebben genomen, en hem ook niet geheim hebben gehouden, alleen al vanwege de contributie en het uniform dat eraan te pas kwam. Ze moet er dus door haar familie bij zijn gesteund.
Hier wordt het interessant. Uit de aanzienlijk dikkere dossiers van haar familieleden, waaronder haar beide zwagers (Mance was een nakomer, ze had drie zussen die veel ouder waren dan zij) komt naar voren hoe dun de scheidslijn tussen goed en fout in Mances familie was. Overigens was dat, afgaand op de omvang van het archief van de bijzondere rechtspleging, in heel veel Nederlandse families tijdens de Duitse bezetting het geval.
Duidelijk wordt dat een van Mances zwagers door grootschalige collaboratie en malversatie het schildersbedrijf van Mances vader (die in 1939 vlak voor zijn dood de zeggenschap over het bedrijf aan zijn schoonzoon had overgedragen) te gronde richtte. Mances moeder, die als weduwe de zorg had voor Mance en haar vier jaar jongere broertje en financieel volledig van haar schoonzoon afhankelijk was, belandde daardoor in een penibele situatie.
Ook Mances moeder, die door Mance zo nadrukkelijk wordt vrijgepleit in haar verklaring aan de Politieke Recherche, komt er niet fraai vanaf. Van oktober 1942 (dus ruim na Mances lidmaatschap van de Jeugdstorm) tot juni 1944 was ze lid van de Nederlandse Volksdienst (NVD), de organisatie waarmee de bezetter het maatschappelijk werk nazificeerde door uitsluitend hulp te verlenen aan ariërs.
In het dossier van moeder Post zit bovendien het schriftelijke verzoek dat ze in de zomer van 1943 indiende om te worden vrijgesteld van plicht om de radio in te leveren. Om het verzoek te ondersteunen heeft de hoge Duitse commandant die bij moeder Post in huis is ingekwartierd een briefje opgesteld, waarin hij de familie roemt vanwege haar ‘altijd pro-Duitse houding’. Ook de ‘kringleider’ van de plaatselijke afdeling van de NSB blijkt bereid de ‘deutschfreundliche Gesinning der Familie Post zu bestätigen’.
Wie Mance Post van dichtbij heeft gekend of zich, zoals ik, in haar leven verdiept, beseft dat de laatste zin uit haar verklaring tegenover de Politieke Recherche in 1947 – ‘Ik had er spijt van dat ik destijds aangesloten ben geweest bij de N.J.S. en heb dan ook getracht mij geheel en al voor de goede zaak te geven’ – de sleutel is om te begrijpen wat haar haar leven lang gedreven heeft.
Ik kan alleen maar diep met Mance te doen hebben. Ze heeft prachtige illustraties gemaakt, waarvoor ze aan het eind van jaar leven tóch nog de hoogst mogelijke onderscheiding kreeg: de Max Velthuijs Prijs, een oeuvreprijs van zestigduizend euro. Ze heeft er gelukkig nog een paar jaar van kunnen genieten. Maar in haar persoonlijke leven is ze nooit helemaal tot bloei gekomen. ‘Ze had een muurtje om zich heen,’ vertelde de een. ‘Mance hield altijd de kaarten tegen de borst,’ zei een ander. Een langdurige relatie heeft ze nooit gehad, kinderen kreeg ze niet, hoewel ze dol op kinderen was.
Ook haar ingewikkelde relatie met haar familie, viel mensen op, en vooral het voetstuk waarop ze haar in 1939 gestorven vader zette. Hém kon niets worden verweten, begrijpen we nu. Pas nu daalt het besef in dat Mance haar hele leven een familiegeheim met zich meetorste. Mance is nooit meer gestopt te bewijzen dat ze aan de Goede Kant stond. Vaker en feller dan nodig was. Misschien had het een teken moeten zijn, maar ik heb het finaal gemist.
Lees hier het artikel dat ik naar aanleiding van mijn onderzoek in het CABR schreef in de Volkskrant:

