Zusje, hoe zit dat?

8 november 2017

Na alles wat ik sinds het verschijnen van Uw wil geschiede, kinderen op katholieke kostscholen heb verteld – op radio en televisie, in kranten en aan iedereen die het maar horen wilde – val ik soms toch weer even stil.

Laatst nog, toen de bezorger me per aangetekende post twee kleine zelfgemaakte boekjes overhandigde. Het ene bestond uit fijne, met aquarelverf gekleurde pentekeningen; het andere uit korte verhalen in de vorm van brieven van een meisje aan haar jongere zusje op kostschool. Ook dat boekje was prachtig geïllustreerd met fantasierijke zwart-witte pentekeningen, afgewisseld door korte gedichten.

[Tekst gaat verder onder afbeelding]

Ik wist dat de maakster van de boekjes, Margie van de Pol, in werkelijkheid het zusje op kostschool was. Zelfs na al die jaren was ze niet in staat dat meisje een stem te geven. De enige manier waarop ze haar kon benaderen was via het oudste zusje, dat in haar brieven schrijft hoe ze naar haar verlangt. Ze zit vol vragen: ‘Draag je rokken, een plooirok en een blazer?’ Maar ook: ‘Heb jij nog vertrouwen in God? Bid jij tot God en wat bid jij dan? Wil jij nog wel naar pa en ma terug? Als zij mij weggestuurd hadden, zou ik nooit meer terugkomen. Zusje, hoe zit dat?’

Het speelde zich af in de jaren zestig in een Nederlands-Indisch gezin waarin zowel de vader als de moeder gebukt gingen onder trauma, verteerd door verlangen naar een land dat niet meer bestond. Niet in staat te zorgen voor het jongste zusje, stuurden ze haar, nog voor ze kon kruipen, naar de nonnen. Soms mocht ze een poosje naar huis komen, maar steeds weer kwam er een moment dat ze weg moest. ‘Weet je waarom jij weg moest?’ schrijft haar zus in een van de brieven. ‘Jij bent gewoon te bruin. Ik bedoel, jij doet hem denken aan vroeger.’

Het was een hartverscheurend verhaal. Aanraken en aangeraakt worden, de intimiteit van een gezin – het zou voor Margie nooit vanzelfsprekend zijn. Als moeder was ze er ook voor haar eigen kinderen soms niet genoeg geweest, wist ze. ‘Gezien worden en niet zenuwachtig worden, was echt een probleem,’ schreef ze me in een e-mail. ‘Ogen van anderen leken op gevaarlijke insecten.’ Schrijven en tekenen waren haar redding. ‘Het lege blad en niemand die kijkt. Ik verstopte mijn verhalen en tekeningen, maar de laatste jaren laat ik soms wat zien aan anderen.’

Margie schreef me ook hoe blij ze was met Uw wil geschiede. ‘Weet je, ik zocht mij suf in bibliotheken! Het leek wel alsof er in Nederland niets gebeurd was.’ Het lezen van mijn boek had veel in beweging gezet. Met terugwerkende kracht kon ze nu wél huilen. ‘Ik hoef het niet meer tegen te houden. Voel mij gesteund en sterk genoeg en tot mijn verbazing ben ik behalve erg verstild ook zeer levendig.’

Voor deze vrouw kan ik niet anders dan een diepe buiging maken.

Advertenties